Het was een tijd dat speculanten de grondprijzen opdreven en overheden het investeringsklimaat belangrijker vonden dan het leefklimaat. Veel ge-wone mensen hadden jarenlang met veel plezier hun volkstuintjes onderhouden. Maar opeens kregen zij van projectontwikkelaars en vastgoed-magnaten opdracht om te vertrekken. Bulldozers en draglines maakten korte metten met tuinhuis-jes, rozenstruiken en buxushagen. Bedrijven-terreinen en futuristische winkelmalls schoten als paddestoelen uit de grond. Zelfs voor de tuinka-bouters was dit een droeve aangelegenheid. Na vele jaren trouwe dienst in weer en wind, tussen de margrieten en de primula’s, of als oppasser bij de vijver, waren kabouters plotseling werkloos. Velen moesten dan ook aankloppen bij de sociale dienst. De eens zo hechte kaboutergemeenschap werd op ruwe wijze uit elkaar gerukt.
De meesten trokken noodgedwongen naar de stad om daar hun geluk te beproeven. Maar ook daar verliep het zoeken naar onderdak en zinvolle arbeid zeer moeizaam. Al spoedig waren er klach-ten van discriminatie; sollicitanten werden door werkgevers niet voor vol aangezien. Zij die geen geluk hadden vielen ten prooi aan een zwervend bestaan. Met alle problemen van dien: alcohol- en drugsgebruik, vandalisme, baldadige hangka-bouters en kleine criminaliteit. Hoewel kabouters een optimistische aard hebben, trok dit alles een zware wissel op de onderlinge solidariteit.
Ze kwamen op hoogtijdagen en zongen dan “Hé ho, hé ho”. Maar het klonk eerder routineus dan diep doorleefd. De ouderen onder hen haalden herinneringen op aan Piggelmee en hoopten dat eens op een dag alle kapitalisten zouden terugkruipen in hun Keulse pot.
Met dank aan:
Mevrouw v.d. Veldt
Meneer en mevrouw van der Horst

Ceci n'est pas une pipe

Waar alle kabouters van dromen

Ze wilden niet bijten die dag